Levensles

Ongeveer 16  jaar geleden kreeg ik zomaar ineens een droombaan als logopedist. Een vaste baan voor 32 uur per week. Direct een vaste baan: in die tijd ongekend! Meestal was het in het begin sappelen met allerlei vervangingen, voordat je eens ergens vast aan de slag kon. Ik had nu alleen een proeftijd van 6 weken, maar daarna was ik verzekerd van werk en loon.

Het was deels op een MKD voor kinderen van 4 tot 18 jaar met een enkelvoudige of meervoudige beperking en deels op een dagopvang voor volwassen verstandelijk gehandicapten. Niet helemaal ‘mijn’ doelgroep, maar ik was vastbesloten er voor te gaan en alles wat er op logopedisch gebied voor deze 2 groepen was, me helemaal eigen te maken.

De introductie was behoorlijk schrikken. Ik zag kinderen op een manier zoals ik kinderen eigenlijk nog nooit had gezien, kwijlend in rare, verwrongen houdingen. Ik hoorde geluiden uit kinderen en volwassenen komen, die ik nog nooit uit een mens had horen komen. Ik zag rolstoelen in allerlei verschillende varianten, terwijl ik dacht dat een rolstoel gewoon een rolstoel was. Ik zag kinderen en volwassenen eten en drinken op een manier die niet of nauwelijks voldeed aan ook maar de meest elementaire tafelmanieren. Ik zag volwassenen die voor mijn gevoel doelloos de dag doorkwamen. Maar ik zag ook dat de begeleiders en de therapeuten van deze kinderen en mensen dit alles eigenlijk helemaal niet zagen en heel liefdevol met hen omgingen. Ik dacht toen: als zij dat kunnen, dan kan ik dat ook leren. Dus ik ging vol goede moed aan de slag.

Ik startte met eet- en drinkadviezen te geven, ik maakte communicatieplannen volgens de laatste principes van de totale communicatie, ik hield me bezig met het logopedische deel van de sensorische integratie en daar waar nodig/mogelijk gaf ik individuele logopedie aan een kind of een volwassene. Ik bezocht alle groepen en verleende hand- en spandiensten waar nodig. Al snel kreeg ik te horen hoe goed ik het deed en dat men het gevoel had dat ik er al heel lang rond liep. Ik was een welkome aanvulling voor het team!

Maar zo voelde het niet…

Als ik in de auto naar huis zat, kon ik mijn masker laten vallen en huilde ik bittere tranen. Wat moest ik in godsnaam aan met deze baan? Ik vond het moeilijk, zo niet verschrikkelijk, bij sommige kinderen ook maar in de buurt te zijn. Hoe kon ik ooit zo liefdevol met ze omgaan als de rest van het team, als ik zoveel afkeer voelde? Hoe kon ik ooit alleen het kind zien en niet alle toeters en bellen eromheen?

En wat me het meeste bezig hield, vooral ook ’s nachts in bed: hoe kun je als ouder van ‘zo’n kindje’ houden, wat moet je ermee, wat als ik ooit zelf ‘zo’n kindje’ krijg?

Onder mijn masker werd ik steeds wanhopiger en verdrietiger.

Ik vestigde  mijn hoop op een dagje uit. Ik dacht dat ik dan de kinderen wel op een andere manier zou kunnen zien. Dat ik dan meer het kind zou gaan ontdekken en niet  alleen maar de cliënt zou zien waar zoveel aan mankeert, dat het onbegonnen werk is als logopedist om er nog iets mee te bereiken. Maar  vooral dat ik een beetje liefde zou gaan voelen…

Ik brak toen ik werd gevraagd te helpen met verschonen. Het was een 16 jarige jongen, waarbij de poepluier moest worden verschoond. Ik heb geholpen, ben de dag door gekomen, maar vraag me niet hoe. Het was de welbekende druppel en vanaf dat moment wist ik zeker dat ik dit niet kon.

De volgende dag heb ik huilend per direct mijn baan opgezegd (ik zat nog in de proeftijd).  Ik heb heel summier verteld dat ik het emotioneel te zwaar vond en dat ik het niet zag zitten. Het team begreep er niks van, ze hadden niets gemerkt en vonden juist dat ik het goed deed. Mijn masker had zijn werk goed gedaan…en echt helemaal eerlijk durfde ik niet te zijn. Ik was zo bang het team en ouders daarmee te kwetsen.

Het heeft nog jaren geduurd voordat ik dat stemmetje in mijn hoofd niet meer hoorde: ‘Ooit zal dit weer op je bordje komen en heb je ermee te dealen’!

12 jaar later loop ik rond op een KDC. Ik kom de fysiotherapeut tegen en ik vraag hoe het ging vandaag. Ik overleg even wat wijs is verder te doen en hoe we dat gaan aanpakken. Dan loop ik verder naar een groep en vraag daar hoe het ging. Ondertussen begroet ik een meisje in haar rolstoel en  veeg het kwijl met mijn blote hand van haar gezicht. Ik vraag met een lach op mijn gezicht aan de begeleiding of ze nog niet doof zijn van alle geluiden die het meisje maakt. Dan druk ik mijn gezicht in haar kruis om te ruiken of er ontlasting in zit. Ja hoor, raak! Ik til haar uit de rolstoel (wat al zwaar wordt, omdat ze bijna 8 is) en ga haar poepluier verschonen. Ondertussen klets ik honderduit tegen haar en speel een kietelspelletje, waar we allebei om moeten lachen. “Kom”, zeg ik tegen haar, “we gaan naar huis, naar papa en je grote zus’’. Ik heb onze meervoudig gehandicapte dochter Meira opgehaald van de dagopvang.

Het kwam weer op mijn bordje en ik heb in ieder geval een aantal dingen geleerd.

Ik weet dat  er mensen zijn die niet met Meira kunnen omgaan, haar nakijken of vreemd reageren . Maar hoe kan ik over hen oordelen? Meestal is het geen onwil, maar eerder angst voor het onbekende. Ik weet als geen ander hoe moeilijk het kan zijn, de confrontatie met een kind dat anders is. En Meira is inderdaad echt ‘anders’!

Maar ik ben ook zo dankbaar dat er therapeuten en begeleiders zijn, die doen wat ik niet kon: met zoveel liefde en respect samen met ons voor Meira zorgen. Die het kind in Meira kunnen zien en ook op deze manier met haar kunnen omgaan. En dat ze dat doen omdat ze weten wat ik toen niet wist, wat ik toen niet kon voelen, maar nu gelukkig wel: als ouder houd je zielsveel van je kind dat anders is, gewoon omdat het je kind is.

Angela